voorbeeld: de Vos Reynaerde

[Proloog]

Willem, die Madocke maecte,
Daer hi dicken omme waecte,
Hem vernoyde so haerde
Dat die avonture van Reynaerde
 In Dietsche onghemaket bleven
Die Arnout niet hevet vulscreven –
Dat hi die vijte dede soucken
Ende hise na den Walschen boucken
In Dietsche dus hevet begonnen.
God moete ons ziere hulpen jonnen.
Nu keert hem daer toe mijn zin
Dat ic bidde in dit beghin
Beede den dorpren enten doren,
Ofte si commen daer si horen
Dese rijme ende dese woort,
Die hem onnutte sijn ghehoort,
Dat sise laten onbescaven.
Te vele slachten si den raven,
Die emmer es al even malsch.
Si maken sulke rijme valsch
Daer si niet meer of ne weten
Dan ic doe, hoe datsi heeten
Die nu in Babilonien leven.
Daden si wel, si soudens begheven.
Dat en segghic niet dor minen wille :
Mijns dichtens ware een ghestille,
Ne hads mi eene niet ghebeden
Die in groeter hovesscheden
Gherne keert hare saken.
Soe bat mi dat ic soude maken
Dese avontuere van Reynaerde.
Al begripic die grongaerde
Ende die dorpren ende die doren,
Ic wille dat die ghene horen
Die gherne pleghen der eeren
Ende haren zin daer toe keeren
Datsi leven hoofschelike,
Sijn si arem, sijn si rike,
Diet verstaen met goeden sinne.
Nu hoert hoe ic hier beghinne!



[Proloog]

Willem, die Madocke schreef,
waar hij lang voor wakker bleef,
hem zat dwars dat er op heden
van Reynaerts wederwaardigheden
in onze taal geen boek bestond
(Aernout kreeg het werk niet rond)
zodat hij in Franse boeken
Reynaerts vita uit ging zoeken
voor een werk in onze taal.
God helpe hem bij zijn verhaal.
Graag verhef ik hier mijn stem,
maar wel vraag ik eerst met klem
aan de lomperds, botteriken
die steeds klaarstaan om te pikken
wanneer ze mijn verzen horen,
om de pret niet te verstoren!
Laat ze hun gekras maar sparen,
die zo vaak als raven waren;
met een dosis eigenwaan
vechten ze mijn verzen aan
waar ze minder nog van snappen
dan dat ik u kon verklappen
wie er nu in Babylon wonen,
ik hoop dat ze zich wijzer tonen!
Dat zeg ik niet ten eigen bate,
ik zou allicht het dichten laten,
als niet een heuse dame hier,
die zich roert met edele zwier,
mij er zelf om had gevraagd:
voor haar heb ik het gewaagd
Reynaerts streken te noteren,
niet om pruttelaars te beleren,
boerenpummels of domoren.
Laat het liever mensen horen
die óók naar iets hogers streven
en die in een deugdzaam leven
al wat plomp en plat is mijden,
arm of rijk (het geldt voor beiden)
een gewillig oor verstaat mij wel.
Luister wat ik u vertel
!