Voorbeeld:  Chrétien de Troyes, De Graal

 Het was de tijd dat beemd en bos
in bloei staan, in fris groene dos,
en vogels in het ochtendgloren
hun zoete Credo laten horen
en blijdschap de natuur doorgloeit.
  De knaap, als halfwees opgegroeid
in ‘t Woeste Woud, in eenzaamheid,
stond op en had in korte tijd
zijn paard het zadel opgelegd
alsof de jacht was aangezegd.
Met zijn drie werpsperen verlaat
hij daarop moeders havezaat.
Daar is hij al naar ‘t land op weg
waar moeders knechten met de eg
druk doende zijn, zes eggen sterk,
twaalf ossen doen het zware werk.
Hij is het bospad ingeslagen
en met een innig welbehagen
hoort hij in ‘t zoele lenteweer
het vrolijke gekwinkeleer
van vogeltjes, een en al vreugd,
geen wonder dat hij zich verheugt.
Zo heerlijk was die ochtendrit
dat hij zijn paard van toom en bit
bevrijdt en het vervolgens vrij
liet grazen op een groen stuk wei.
Hijzelf vermaakt zich met zijn speren
die hij deskundig kan hanteren,
hij werpt ze links en rechts in ‘t rond,
hoog in de lucht of naar de grond,
zowel naar achter als naar voren,
dan spitst hij plotseling zijn oren
als er opeens tussen de bomen
vijf ridders, zwaar bewapend, komen.
De nieuwkomers, gehuld in staal,
veroorzaakten een hels kabaal:
haagbeuk en eikentakken sloegen
tegen de wapens die ze droegen:
luid kletteren hun pantserringen,
hun lansen, schilden, stalen klingen,
ijzer op ijzer, één geschal
van helm en schild en wat niet al.
De knaap ziet niet, maar hoort al wel
hoe zij daar naderen, luid en snel.
Hij staat verbaasd en zegt: ‘Wablief,
zei mij niet ooit moedertjelief
dat als er iets was om te vrezen
dat het dan duivels moeten wezen,
en als er eentje voor je staat
je dan het best een kruisje slaat?
Dat doe ik niet, geen denken aan
om voor dat stel een kruis te slaan!
Liever met één van deze speren
de sterkste van hen zo bezeren
dat geen van het in zijn dromen
zal wagen in mijn buurt te komen.’
  Dat zei de knaap in eigen woorden
zolang hij ze niet zag maar hoorde.
Maar nu hij alle vijf daar ziet
en ‘t woud hen geen beschutting biedt
en hij hun helm ziet flikkeren,
hun maliën ziet blikkeren,
de kleuren ziet van hun blazoen
in glanzend rood en blauw en groen
en zilvergouden schittering,
verstijft hij van bewondering.
Hij roept: ‘Jee, God, vergeeft u mij!
Ik zie vijf engelen op rij!
Ik heb gezondigd, en wel zwaar,
het was dus helemaal niet waar
dat ik hier duivels voor mij had.
En moeder zei niet zomaar wat  
toen ze mij over engelen zei
dat er niet mooiers was dan zij,
behalve God, daar ging niets boven.
Hier zie ik hem met eigen ogen,
ik raak niet op hem uitgekeken,
de rest heeft daarbij vergeleken
nog niet een tiende van zijn pracht.
Heeft moeder mij niet bijgebracht
dat je wanneer je God ontmoet
geloven, bidden, plat gaan moet
om hem aldus te adoreren?
Nou, dan aanbid ik hem dus hier
en tegelijk de andere vier.’
           
[...]

*

Ce fu au tans qu'arbre florissent,
fuelles, boschaige, pré verdissent,
et cil oisel an lor latin
dolcemant chantent au matin
et tote riens de joie anflame,
que li filz a la veve dame
de la Gaste Forest soutainne
se leva, et ne li fu painne
que il sa sele ne meïst
sor son chaceor et preïst
.iii. javeloz, et tot ensi
fors del manoir sa mere issi.
Et pansa que veoir iroit
hercheors que sa mere avoit,
qui ses aveinnes li herchoient;
bués .xii. et sis hierches avoient.
Ensi an la forest s'an antre,
et maintenant li cuers del vantre
por le dolz tans li resjoï
et por le chant que il oï
des oisiax qui joie feisoient;
totes ces choses li pleisoient.
Por la dolçor del tans serain
osta au chaceor son frain,
si le leissa aler peissant
par l'erbe fresche verdeant.
Et cil qui bien lancier savoit
des javeloz que il avoit
aloit anviron lui lancent,
une ore arriere et altre avant,
une ore an bas et altre an haut,
tant qu'il oï parmi le gaut
venir .v. chevaliers armez,
de totes armes acesmez.
Et mout grant noise demenoient
les armes a ces qui venoient,
car sovant hurtoient as armes
li rain des chasnes et des charmes.
Et tuit li hauberc fremissoient,
les lances as escuz hurtoient,
sonoit li fuz, sonoit li fers
et des escuz et des haubers.
Li vaslez ot et ne voit pas
ces qui vienent plus que le pas;
si s'an mervoille et dit: « Par m'ame,
voir me dist ma mere, ma dame,
qui me dist que deable sont
plus esfreé que rien del mont;
et si dist, por moi anseignier,
que por aus se doit an seignier.
Mes cest anseing desdaignerai,
que ja voir ne m'an seignerai,
einz ferrai si tot le plus fort
d'un des javeloz que je port,
que ja n'aprocheront de moi
nus des altres, si con je croi. »
Ensins a lui meïsmes dist
li vaslez einz qu'il les veïst.
Et quant il les vit en apert,
que del bois furent descovert,
et vit les haubers fremianz
et les hiaumes clers et luisanz,
et vit le vert et le vermoil
reluire contre le soloil,
et l'or et l'azur et l'argent,
se li fu mout et bel et gent.
Lors dist: « Ha ! sire Dex, merci !
Ce sont ange que je voi ci.
Hé ! voir, or ai ge mout pechié,
or ai ge mout mal esploitié,
qui dis que c'estoient deable.
Ne me dist pas ma mere fable,
qui me dist que li ange estoient
les plus beles choses qui soient,
fors Deu, qui est plus biax que tuit.
Ci voi ge Damedeu, ce cuit,
car un si bel an i esgart
que li autre, se Dex me gart,
n'ont mie de biauté le disme.
Et si dist ma mere meïsme
qu'an doit Deu croire et aorer
et soploier et enorer,
et je aorerai cestui
et toz les altres avoec lui. »

 

[…]