Ard met valk

Ard Posthuma

literair vertaler

Vertaalperikels

Vertaalperikel 5:
Wolfgang Hilbigs Oude afdekkerij en de sterrenhemel van Manon Uphoff

19 februari 2021

Wolfgang Hilbig - Oude afdekkerij Drie boeken, nou ja, boekjes, heb ik in het eerste corona jaar vertaald, twee ervan zijn in de afgelopen week verschenen. Geen slechte oogst nu de boekwinkels al wekenlang potdicht zitten. Hulde aan de moedige uitgevers, die onverdroten boeken de wereld in helpen waarvan elk woord goud waard is, al brengen ze misschien niet meteen geld in het laatje. Alzo verschenen afgelopen week vrijwel gelijktijdig: Cees Nootebooms dichtbundel Abschied/Afscheid en aan onze kant van de Duitse grens Wolfram Hilbigs verbijsterende prozastuk Oude afdekkerij/Alte Abdeckerei, een vondst van uitgeverij Koppernik. Ontbreekt alleen nog wat het klapstuk had zullen worden: de tweetalige, becommentarieerde gedichten van Friedrich Nietzsche die bij de Historische Uitgeverij te Groningen liggen te trappelen om te verschijnen, maar zich uit de totale lockdown nog niet konden bevrijden.
Wolfram Hilbigs Alte Abdeckerei werd mij ter vertaling aangeboden onder de voorlopige noemer ‘Oude kadaverfabriek’, een beetje scheef vertaald want het gaat niet om fabricatie maar om destructie, om het  vernietigen van dode dieren en dierlijk restmateriaal. Afdekkerijen heten tegenwoordig dan ook  destructiebedrijven, een woord dat ik moest opzoeken. Ze doen iets wat we liever verdringen en waar we ons geen voorstelling van willen maken, maar oudere inwoners van het Brabantse Son of het Friese Burgum zullen de geur onmiddellijk herkennen. Die geur raakt de ik-figuur niet meer kwijt en is in zijn hoofd als een tumor uitgegroeid tot zinnebeeld voor zijn ‘territorium’. Dat territorium was de DDR, de snel verrotte heilstaat die in een verscheurde wereld als een fleur du mal opschoot uit de ruïnes van Hitlers 'Derde Rijk' en even snel weer verwelkte.

Wat is een afdekkerij?

 Het woord is archaïsch geworden, evenals het synoniem ‘vilderij’. Ook het merendeel van de Duitse Leser*innen (zoals leesmensen daar tegenwoordig aangeduid willen worden) zal het amper meer kennen, op een enkeling na die op school Heinrich von Kleists beroemde novelle Michael Kohlhaas voorgeschoteld kreeg en zich de cruciale scène nog herinnert waarin een lompe ‘afdekker’ ten tonele verschijnt met de afgebeulde en uitgemergelde scharminkels van paarden die ooit de trots van de ongelukkige titelheld waren. Afdekkers hurkten in vroeger eeuwen als beroepsgroep op de onderste tree van de sociale ladder, hun bezigheid stond heel letterlijk in een kwalijke reuk, want de vernietiging van dode dieren zorgt nu eenmaal voor enorme stankoverlast. Dergelijke bedrijven heten in afschuwelijk Duits Tierkadaverbeseitigungsanstalten , onzichtbaar gemaakt achter de afkorting TKV. Het Thüringse stadje Meuselwitz waar Wolfram Hilbig opgroeide, lag onder de rook van een dergelijke inrichting die pas kort na de val van de DDR werd gesloten. Mede door de zwaar verouderde vooroorlogse apparatuur moet de stank van de Tierkörperverwertung ondraaglijk zijn geweest. Er stroomt een riviertje, de Schnauder, waarin ook de afval van een zeepfabriek werd geloosd. Op korte afstand van Meuselwitz ligt Zeitz waar in een dependance van het concentratiekamp Buchenwald de arbeiders waren geïnterneerd die in de wapen- en munitiefabriek te werk gesteld werden. De driejarige Hilbig heeft ze wellicht nog zelf kunnen aanschouwen. In elk geval heeft hij na de oorlog als jongen het parcours langs die giftige beek met de lugubere knotwilgen vele keren in het donker gelopen om zijn moeder van haar werk te halen, de streek gold als gevaarlijk en gaf voeding aan de wilde geruchten dat zich tussen de vernietigde industrieresten oude nazi’s en ander tuig verscholen zou houden. Die nachtelijke wandelingen (maar dan zonder moeder) zijn het leidmotief van dit verhaal.

Het woord ‘afdekkerij’ is afgeleid van het werkwoord ‘afdekken’ (of omgekeerd). Met dat werkwoord is iets bijzonders aan de hand, het is dubbelzinnig en kan twee tegenovergestelde dingen betekenen, ten eerste: bedekken, toedekken, maar ook: afstropen, het dek wegtrekken. Bloembollen kunnen pas worden afgedekt nadat ze eerder zijn toegedekt. Die dubbelzinnigheid beperkt zich niet tot de titel, het hele verhaal is ervan doordesemd. De ik-figuur, kind en volwassene tegelijk, ontdekt een wereld waaruit mensen zomaar kunnen verdwijnen en waarheden voortdurend worden toegedekt: door het zwijgen, de leugens of de vermoeidheid van de volwassenen, door de alles overwoekerende natuur, door een taal die zelfs de receptuur van zeep niet prijsgeeft, terwijl het meel van zijn grondstof – botten, beenderen – opstijgt uit de fabriekspijpen en als sneeuw neerdaalt op een diep schuldig landschap dat de massagraven afdekt. Heden en verleden zijn onontwarbaar verstrengeld.

schoolplaat 1937

Tegelijk met het werken aan deze vertaling las ik Manon Uphoffs weergaloze autobiografische roman Vallen is als vliegen, een autobiografisch boek dat met een vergelijkbare woede is geschreven. Haar openingszin luidt: ‘Ik wilde dit boek niet schrijven’. Maar ze deed het toch. Omdat ze moest. Zo moet het ook Hilbig zijn vergaan. Hoewel de onderwerpen verschillen, zijn er frappante overeenkomsten. Beide auteurs rekenen af met gruwelen uit hun verleden, met de daders. Geen wonder dat in beide gevallen de minotaurus opduikt, het monster in de achtertuin. Dat bij Hilbig de monsters veelkoppiger zijn en de achtertuin groter, doet niet ter zake. Beide auteurs vechten op het scherpst van de snede. Manon Uphoff werd er tijdens het schrijven letterlijk ziek van, maar gewaagt ook van het feit dat er bij het componeren van haar boek ‘een soort sterrenhemel’ ontstond, het ‘verduiveldst schitterende goud dat er maar te bedenken is’*. Iets dergelijks zien we gebeuren aan het slot van Hilbigs apocalyptische allegorie: nadat de door mijnbouw ondertunnelde aarde is ingestort en alles heeft opgeslokt, duikt opeens de oude afdekkerij weer op, in een kort zinnetje zonder werkwoord, amper een zinnetje. Het is de opmaat naar de meest gewaagde passage van dit toch al zo ongewone verhaal. Gewaagd daarom ook de vertaling:

    Alte Abdeckerei, sterngestirnter Umfluss.

    Oude afdekkerij, rondom besterde Styx.

De ik-verteller is inmiddels uit het verhaal verdwenen, een andere stem neemt het over, de taal begint ritmisch te pulseren, beweegt mee met de stroming van de beek, die nu de onderwereld induikt, ‘zwemmend langs de zwartkristallen kathedralen van bruinkool’. Maar het is geen dood water. Voor het eerst verschijnen er vissen ‘als lichte droomgezichten’, vissen die met hun ‘lichtschrift’ het verhaal verder schrijven. Vanaf dat punt begint het woord afdekkerij zich in talloze varianten te vertakken om ten slotte te verbrokkelen en op te lossen in betekenisloosheid: oude afdekkerij... oudakkerij… oudekkerij… oudekerij… ouderij…
Volgt nog een coda, waarin – eindelijk – de monsters tot bedaren gebracht zijn en de rivier, gezuiverd naar het schijnt, verder stroomt: ‘langs een paar teloorgegane ruïnes, langs Germania II, waar de sterrenbeelden in de watermassa spelen, waar de minotaurussen grazen.’

* Geciteerd naar ‘Ik heb alles in de hens gestoken’. Interview met Thomas de Veen in nrc van 22 maart 2019.

 

reageren


Vertaalperikel nr 4: .
De schriftuur van het schrijverke

11 januari 2021

Van Paul Claes, literaire Mohikaan, kwam kort voor nieuwjaarsdag per mail het volgende vertaalperikel binnen:

Grün wie nie ein Jahr war kommt ein Jahr.
    Paul Celan
Groen als nooit een jaar was komt een jaar.
    Paul Claes

Gyrinus NatansIk hield zijn nieuwjaarswens in eerste instantie voor een vrijwel compatibele interlineaire vertaling en mailde achteloos terug dat ik er net zo over dacht. In tweede instantie viel het kwartje en besefte ik dat dit geen vertaald citaat was, maar een vierregelig gedicht waarin de hiërarchie van auteur en vertaler (en Paul Claes is allebei) aan de orde gesteld wordt. De beroemde dichter Paul Celan (1920-1970) en zijn herschrijver vormen elkaars perfecte spiegelbeeld, -lan rijmt op -laes. Het lijkt een beetje pronken met andermans veren, maar vertalers zijn als herschrijvers nu eenmaal per definitie op andermans veren aangewezen. Daarbij bevorderen ze het ruiproces.
Ten bewijze daarvan stuurde Paul Claes me vervolgens een drietal herschrijvingen van Guido Gezelles bekende gedicht Het schrijverke, een ode aan de gyrinus natans, ook bekend als draaikever of slootschrijvertje, inmiddels vermoedelijk een bedreigde diersoort:

O krinklende winklende waterding,
    met ’t zwarte kabotseken aan [...]

O kringelndes winkelndes Wasserding,
    mit schwarzem Kapuzchen versehn [...]


Schrijverkes hebben geen last van coronaperikelen en kunnen anders dan wij nog altijd onbezwaard winkelen. Wat Paul Claes bezwaarde was de vraag of onze oosterburen dat gewinkel wel correct zouden opvatten als ‘zich in hoeken voortbewegen’. Ik kon hem geruststellen: Grimms woordenboek geeft aan dat het onder meubelmakers en metselaars een bekende vakterm is, meer in het algemeen van toepassing op het maken van winkelförmige Bildungen. In de regel gaat het daarbij om rechte hoeken (vandaar onze winkelhaak), maar die regel lappen de schrijverkes aan hun laarskes omdat ze, zoals Gezelle terecht constateert, niet alleen winklen maar ook krinklen. Voor alle zekerheid sla ik er Brehms Tierleben op na, een dierbaar erfstuk, stukgelezen in mijn jeugd en later door mijn zuster liefdevol opnieuw ingebonden.
BrehmBrehm beschrijft het gekrinkel al even beeldend als Gezelle:
‘ieder diertje schiet heen en weer, een beschrijft een grooten kring, een tweede volgt, een derde voltooit den boog in tegengestelde richting, een vierde tekent spiraalvormige of andere kromlijnige figuren.’
Kortom, veel gekrinkel en amper gewinkel, guirlandeschrift en geen blokletters. Voor hoekige bewegingen moeten we niet bij het slootschrijvertje aankloppen, maar bij de dunpotige waterlwantsen, door Brehm getypeerd als 'een vrolijk gezelschap van vlugge schaatsenrijders op een spiegelgladde ijsbaan'. Die verdienen een eigen gedicht. De slootschrijvertjes echter zijn minder rechtlijnig en hun voorliefde voor ronde bewegingen komt ze goed van pas bij het schrijven van de letter o. Wat ons rechtstreeks naar de verrassende slotregel van het gedicht brengt. Voor wie alleen nog het begin paraat heeft, nog maar even ter opfrissing: het winklende waterding wordt door Gezelle hardnekkig bestookt met de vraag wat het in godsnaam(!) op het spiegelgladde wateroppervlak aan het schrijven is. Zou het over kruidjes, visjes, keitjes, blaadjes gaan? vraagt de dommige dichter zich af, of misschien over het ‘kwietlende klachtgepiep’ van vogeltjes, over de blauwe hemel of gewoon over het schrijvertje zelf? Je weet het gewoonweg niet. Nou, dan ben je wel heel bot, roept een van de schrijvertjes en geeft namens zijn kornuiten het verlossende antwoord:

Wij schrijven en kunt gij die lesse toch
     niet lezen, en zijt gij zoo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nóg,
     den heiligen Name van God!

Gezelle was een natuurliefhebber die zijn plastische beschrijvingen van wat er bloeit en roeit in sloot en plas uiteindelijk altijd herleidde tot de Intelligente Designer van al dat moois. Maar de Duitse herschepping van deze pointe is niet eenvoudig. Het schrijvertje laat bot rijmen op God en biedt daarmee de herschrijver erg weinig speelruimte. Voor de specifieke Nederlands botheid heeft het Duits sowieso al geen goed woord, laat staan een dat eindigt op -ot(t). Maar Paul verzon een list:

Wir schreiben, und kannst du die Lehre doch
    nicht lesen, und bist nur ein Klotz?
Wir schreiben und schreiben und schreiben noch
    den Namen des heiligen Gotts!

Ingenieus gevonden, die Duitse Klotz, letterlijk een houtblok maar overdrachtelijk ook een ‘wenig umgänglicher Mensch’. En het rijmt inderdaad op Gotts, al is het effect nogal hilarisch, vooral omdat de Duitse lezer maar drie reguliere rijmwoorden op Klotz kon verwachten te weten Rotz, Kotz of Fotz’, respectievelijk snot, kots of kut, en het is duidelijk dat god in dat rijtje weinig te zoeken heeft. Een beetje Duitser, hoe klotzig hij ook moge zijn, zal als tweede naamval van Gott altijd GottES zeggen en een beetje schrijverke hoort daar rekening mee te houden.
Ik mailde mijn ongemak naar Paul Claes (hij had om strenge kritiek gevraagd) en kreeg als antwoord dat hij mij per ongeluk een oude versie had gestuurd (die smoes gebruik ik zelf ook altijd). Hij stuurde meteen de verbetering: niet Gotts maar Herrgotts was nu de bedoeling. Dat woord bestaat in het Duits inderdaad, vooral als krachtige vloek, ik hoor het mijn Zwitserse schoonvader nóg zeggen ‘in HERRRRgotts Namen!’ Maar de finale van het gedicht wordt er niet krachtiger door: de klemtoon gooit roet in het eten, die ligt op HERR en -gotts komt er als aanhangsel wat slapjes achteraan; de knaller, die het schrijverke voor de laatst bewaard had, verpruttelt…

    Om te laten zien dat ik ook niet van de straat ben was ik zo roekeloos mijn bevindingen vergezeld te doen gaan van Gezelles gedicht Imago Mortis, dat ik in 2019 in opdracht van het Institur für Niederlandistik aan de universiteit van Keulen in het Duits vertaalde ter ere van haar 100-jarig bestaan. Paul liet zich de kans niet ontgaan mij op een interpretatiefout in de tweede strofe te wijzen. Die luidt as volgt:

Het leven van den mensch is als
    het leven van de zon,
die op- en af- en ommegaat
    en wandelt, alle dagen,
den weg, die haar gewezen is;
    en uit de zelfste bron,
zoo putten wij, getween, de kracht
    om ’t leventjen te dragen.

So wie des Menschen Leben scheint
    die liebe Sonne mir,
die auf und ab die Runden dreht
    und wandert alle Tage
in ihrer vorgeführten Bahn,
    und also schöpfen wir,
geliebter Freund, zu zweit die Kraft,
    das Tagwerk zu ertragen.

In deze ode aan de zon zegt de dichter het (priester)leventje ‘getween’/ ‘zu Zweit’ wel te kunnen rooien. Hoezo getweeën? Priesters zijn doorgaans heel eenzame figuren, lees het maar na in mijn lievelingsboek Meneer Janeu, het door de kritiek hardnekkig verzwegen meesterwerk van Georges Bernanos. In mijn onschuld had ik gedacht dat Gezelle dit eenzame lot bespaard zou zijn gebleven, dat er een vriend in zijn leven was zodat ze het in duplo wel aankonden. Maar de werkelijkheid was anders. Gezelle – wist Paul uit wel geïnformeerde bron – hád in die tijd geen enkele vriend en naar ik aanneem ook geen lijfelijk intieme vriendin. Ik bromde nog even dat je zoiets bij priesters, zeker als ze al honderdtwintig jaar dood zijn, nooit met zekerheid kunt zeggen, maar moest bij herlezing mijn ongelijk bekennen. We zijn betrokken, maar niet onfeilbaar. Geen goede vriend dus, maar wel een geliefde vriendIN, DIE Sonne. Samen met haar duikt hij de duisternis in, in de hoop daar te goeder ure weer uit te zullen herrijzen. Veranderen in ‘geliebte Freundin’ dus? Anders dan bij speld en vlinder (zie mijn vorige blog) verkies ik voor deze keer de geslachtsneutrale oplossing, met HET Licht kun je alle kanten op:

    und also schöpfen wir,
mein Himmelslicht, zu zweit die Kraft,
    das Tagwerk zu ertragen

Paul Claes, bij deze, ik had je per ongeluk een oude versie gestuurd.

reageren

Knappe Blog, Ard!
Eigenlijk is die 'Herrgotts' gesuggereerd door mijn Duitse vertaalster. Het woord is spondeïsch en kan dus wel als rijm gebruikt worden.

Paul


Vertaalperikel 3:
Vertaling van een speldenprik

30 december 2020

Het is alweer ruim een jaar geleden dat de dichter Tom van Deel overleed. Ik leerde hem kennen tijdens een symposion ‘Reizende Nachbarn’ in Loccum in 1992. Hij hield er een boeiende lezing over ‘beeldgedichten’ waarin hij onder andere zijn gedicht Fabel besprak. Het is gebaseerd op een mysterieuze litho van Jeroen Henneman:

Henneman_2

In een heuvelachtig landschap staat een vlinder oog in oog met een speld. Een gevaarlijke ontmoeting die weinig goeds belooft. In Toms Fabel blijkt dat er sprake is van een ontluikende, maar helaas onmogelijke liefdesrelatie tussen die twee personages en de afloop laat zich raden.

    Fabel

Vlinder ziet een speld staan
vindt hem mooi want streng
niet doelloos doch standvastig.
Zij wil hem aan zich binden
dit eenzaam puntig wezen
en zegt met zoete aandrang
doe ik mijn vleugels dicht
bekijk mij dan van voren
ben ik een speld op poten.
Bang om zich te bezeren
aan zoiets kleurig breekbaars
met ogen fijn dooraderd
volhardt de speld in staren
blijft stijf gesloten staan
als ik hier niet vandaan raak
grijpt het ons beiden aan.

    Fabel

Falter sieht eine Nadel stehn
findet sie schön weil streng
nicht ziellos sondern standfest.
Er will sie an sich binden
dies einsam spitze Wesen
und sagt mit süßem Drängen
wenn ich die Flügel schließe
du mich von vorn beguckst
bin ich eine Nadel auf Beinen.
Aus Angst sich zu verletzen
an dem so Bunten, Zarten
mit Augen fein geädert
verharrt die Nadel starrend
bleibt fest geschlossen stehn
wenn ich hier nicht verschwinde
greift es uns beide an.

Van Deel die zijn lezing in het Duits had laten vertalen had zich in zijn voordracht gehaast eraan toe te voegen dat het gedicht in het Duits (en overigens ook in het Frans) onvertaalbaar was, wat Waltraud Hüsmert er niet van had weerhouden het desondanks te doen. Met ingrijpende gevolgen voor de prille relatie tussen vlinder en de speld. Vandaar hierboven het bestraffende rood.

Wat was precies het probleem?

De speld in deze fabel is in het Nederlands een HIJ en de vlinder een ZIJ. In de Duitse vertaling is die rolverdeling helaas omgekeerd. Het mannetje krijgt het weer eens voor het zeggen. Wat niet helemaal de schuld van de vertaalster is: de speld is in Duitsland vrouwelijk (DIE Nadel) en vlinders zijn er over het algemeen mannelijk (DER Falter, DER Schmetterling). Daardoor werd tot spijt van alle Freudianen de seksueel toch overduidelijke symboliek van de ‘standvastige’ speld verstoord en het gedicht in de meest letterlijke zin van zijn scherpe pointe beroofd. De vertaalster had zich laten ringeloren door de grammatica en het gedicht daarmee een slechte dienst bewezen. En het is heel onbeleefd de Duitse pronomina daarvan de schuld te geven.

Aan de bovenstaande vertaling moest dus het een en ander veranderd worden om de oorspronkelijke verdeling der seksen weer te herstellen. Bij de vlinder is het nog wel mogelijk er een SchmetterlingIN van te maken, maar hoe vermannelijk je in hemelsnaam een Nadel? Ik dacht er een jaar over na (de schildpadmethode) en stuurde toen de oplossing naar de verheugde dichter:

    Fabel

Falterfrau sieht Nadelmann
findet ihn schön weil streng
nicht ziellos sondern standfest.
Sie will ihn an sich binden
findet ihn ...................enz.

Henneman_1

Geen speld tussen te krijgen, transgenderdysforie opgelost. En zo werd het tussen vlinder en speld toch nog koek en ei. In een tekening voor een bibliofiele uitgave heeft Jeroen Henneman op briljante wijze laten zien hoe die operatie is verlopen.

reageren

Vertaalperikel 2:
De Schildpad-methode

18 december 2020

Neuman
In mijn vorige blog bespraken we de vertaalmethode-haas ofwel het uitbesteden van een poëtische tekst die onverwacht het proza ontregelt. Een vertaalster die bijzonder gebaat was bij die methode is Corry Rasink. Zij vertaalde de roman El viajero del Siglo van de Argentijnse schrijver Andrés Neuman, Nederlandse titel De Eeuwreiziger, een pil van 600 pagina's. Het verhaal speelt rond 1820 maar is ook voor hedendaagse vertalers interessant, vooral omdat de twee belangrijkste personages zelf poëzievertalers zijn, ze heten Hans en Sophie en ze hebben de gewoonte om alvorens hartstochtelijk de liefde te bedrijven eerst een gedicht te vertalen. Een aantrekkelijke methode die bij mijn weten maar zelden toegepast wordt. Ik ken wel een aantal duo-vertalers, maar de meeste koppels zoals Henkes & Bindervoet of Damsma & Miedema hebben voor zover mij bekend onderling slechts een platonische relatie. Aangezien het in deze onhistorische roman nogal ruig toegaat waren er er niet minder dan 20 poëzievertalers nodig om de hazensprongen van Hans en Sophie bij te benen. In de verantwoording vinden we de namen van Hans Boland, Ike Cialona, Erik Coenen, Wiebe Hogendoorn, Jan Kuijper, Harrie Lemmens, Barber van der Pol & Maarten Steenmeijer, Dolf Verspoor en Peter Verstegen. Zelf vertaalde ik voor dit boek gedichten van Bettina en Achim von Arnhim, van Sor Inez de la Cruz, Heinrich Heine, Victor Hugo, Sophie Mereau, Gerard de Nerval, Théophile de Viau en de jong gestorven en onderschatte Wilhem Müller, dichter van een liederencyclus die die als Winterreise dankzij zijn al even jong gestorven tijdgenoot Franz Schubert onvergetelijk in het gehoor ligt. Omdat er in De eeuwreiziger een prominente rol is weggelegd voor een orgeldraaier, koos de schrijver als motto voor zijn roman het laatste couplet van ‘Der Leiermann’ het navrante slotlied van de cyclus. De vertaling was abusievelijk zowel aan mij als aan Peter Verstegen uitbesteed, die er het volgende van bakte:

Wunderliche Alter,
Willst du mit mir gehn?
Willst zu meinen Liedern
Deine Leier drehn?

Wonderlijke oude man,
wil je me begeleiden,
wil je met je orgel dan,
mijn lied straks verspreiden?


Huh, 'verspreiden'? 'Straks' nog wel? Alsof er voor de man die daar op het ijs staat te vernikkelen nog veel 'straks' is weggelegd! Had die eenzame zanger aan het eind van zijn barre levensreis niet in de smiezen dat zo'n oude orgeldraaier als multiplicator van zijn liederen totaal ongeschikt is? Staat er niet in de derde strofe: ‘Keiner mag ihn hören,/ Keiner sieht ihn an’? Dat het lied dankzij Schubert niettemin postuum vleugels heeft gekregen kon hij uiteraard niet weten.
In een poging de bovengenoemde vertaling te verbeteren, greep ik naar de slinger van mijn vertaalorgeltje en draaide er achtereenvolgens de volgende varianten uit:

  Wonderlijke oude man,
   blijf je aan mijn zijde?
   Wil je deze winterzang
   op je lier begeleiden?

  Wonderlijke oude man,
   gaan we met ons beiden?
   wil je met je draailier dan
   mijn lied begeleiden?

  Wonderlijke oude man,
   Ach, hoe eenzaam sta je!
   Wil je bij mijn liederen
   niet je orgel draaien?

  Wonderlijke oude man,
   gaan we zij aan zij
   draai jij straks je draailier
   bij dit lied van mij?

  Wonderlijke oude man,
   staan we elkaar bij?
   Wil je orgeldraaien
   bij dit lied van mij?

  Wonderlijke oude man,
   blijf je aan mijn zijde?
   Wil je met je orgelklank
   mijn lied begeleiden?

  Wonderlijke oude man
   enzovoort…

Omdat ik er zelf draaierig van werd leverde ik alle oude mannen in bij de persklaarmaker met de mededeling dat zij er maar eentje moest uitkiezen. Nu ik die regels tien jaar na dato herlees (de Schildpad-methode), besef ik waarom alle bovenstaande versies niet deugen: de eerste regel is te lang en op Schuberts noten niet meer zingbaar. En dat treurige melodietje krijg je nu eenmaal nooit meer uit je hoofd. Pas nu besef ik hoe geniaal Schubert hier als componist te werk is gegaan: in alle coupletten bepaalt de monotone draailier het versritme, maar pas in de allerlaatste strofe zijn de noten gepuncteerd, waardoor het lied het karakter van een met omfloerste trom begeleide begrafenismars krijgt:

Wun - derlicher          - Al         -ter
Póm - pompómpom  - Póm!    -Póm!

En dus moet de wonderlijke oude man veranderen in een tweelettergrepige 'grijsaard' (Póm-Póm). Mocht er ooit een herdruk komen zal ik het motto aanpassen. En intussen ook nog maar eens over de drie aansluitende regels nadenken.

Over het al dan niet te vertalen van motto’s een volgende keer meer.

reageren


Vertaalperikel 1: De Haas-methode
of oma Asschers verstoorde strandidylle.

15 december 2020

AsscherMaarten Asschers oma komt voor in zijn lezenswaardige roman Een huis in Engeland. Roman van een kleinzoon. Het wordt op dit moment (niet door mij) in het Duits vertaald. Hij beschrijft zowel zijn idyllische vakanties bij zijn naar Londen geëmigreerde grootouders als hun nare oorlogsgeschiedenis in Nederland alsook de nasleep daarvan. Aldus zijn eigen samenvatting, maar het boek is veel spannender. Er staat een vormvast gedicht in van zijn oma. De Duitse vertaalster kreeg er van de auteur ter ontmoediging een complete bijsluiter met instructieaanwijzingen bij alsof het een te monteren keukenblok van IKEA betrof. Ik citeer:

‘Het gedicht bestaat eigenlijk uit acht terzinen (strofen van drie regels) […] Die terzinen rijmen per paar, aldus met een kleurtje aangegeven […] Verder is er geen rijm aan de orde, maar wat wel van doorslaggevend belang is, is het metrum. Elk van de strofen is in feite één doorlopende versregel, eindigend op een vrouwelijk (slepend) rijm, dat wil zeggen met een onbeklemtoonde lettergreep. Schematisch voorgesteld ziet dat er zo uit:

  --- ^ --- --- ^
   --- [---] ^ --- ---  ^
   --- [---] ^ --- ---  ^ --- --- ^ ---
De lettergrepen tussen vierkante haken, daar kun je goed mee smokkelen, dat doet mijn grootmoeder ook. […] Als je deze structuur zou kunnen bewaren, met vier paar rijmwoorden, zou je het gedicht volgens mij alle eer bewijzen. Per terzine kun je in de eerste twee regels helemaal doen wat je wilt, als je met het oog op het metrum maar zorgt dat die eerste twee regels op een beklemtoonde lettergreep eindigen. Rijmen hoeven die eerste twee regels niet.’

Als je er maar voor zorgt! Veel noten op de te zingen zang, zo te zien, ondanks de royale smokkelclausule. Hier het gedicht:

     Op het stille strand

Ik wilde niets zien
dan de helblauwe lucht,
dan de glooiende lijn van de duinen.
Ik wilde niets zien
dan het glinst’rende zand,
dan de wazige wolken kruinen.
Ik wilde niets zien
dan de loodgrijze zee,
dan de golven die deinen en schuimen
en de helm zo netjes
in bosjes geplant
met hun bevende trillende pluimen.
Ik wilde niets zien
dan het schoons om mij heen,
maar ik heb naast mijn ogen ook oren.
Zo moest ik te midden
van zon en van zee
’t kanonnengebulder wel horen!
Ik lag daar heel stil
en ik keek in het rond.
Ik had geen verlangens, geen wensen.
Toen plots’ling die daverende slag,
en ik wist:
ik leef in een wereld van mensen.

 
De arme vertaalster, Marlene-Müller-Haas, die bovenstaande gekleurde  instructies kreeg voorgezet, staan twee wegen open:

    a) naar de methode Henkes, gewoon onbevangen beginnen te knutselen om vervolgens geplaagd te worden door allerlei (zelf-) kritische instanties en beterkunners. Dat is zoals Robert-Jan in zijn onvolprezen vandaagsvertaalprobleem.blogspot.com (zie nr. 24) zelf ook aangeeft, een uiterst tijdverslindende bezigheid die de voortgang van het vertaalproces enorm vertraagt. Daarom bewandelde de vertaalster wijselijk de andere weg door
    b) over het gedicht heen te springen en het naar mij door te sluizen, de methode-haas zeg maar. Dat is geen schande en doen meer prozavertalers. Ik ben daar altijd heel blij mee, de doorgaans al dode dichters vermoedelijk ook. Rüdiger Safranski’s Goethe-biografie bijvoorbeeld telt zo'n duizend dichtregels en het zou voor de reputatie van de grote Duitse dichter fataal zijn geweest als Mark Wildschut, die even allergisch is voor poëzie als ik voor het proza van Martin Heidegger, zichzelf ertoe had veroordeeld zich eraan te wagen. Laat mij het maar doen!
Meestal heb ik genoeg aan drie dagdelen of beter gezegd 1 dagdeel + 2 nachtdelen. Ik lees het gedicht, laat het bezinken en noteer in mijn achterhoofd de door oma Asschers kleinzoon al gesignaleerde struikelblokken, te weten het metrum en de in kleurtjes gemarkeerde rijmparen: 'schuimen' rijmt op 'pluimen' en 'duinen op 'kruinen', maar helaas doen 'schäumen' en 'Büschel' en 'Dünen' en 'Wipfel' dat niet. Tot overmaat van ramp rijmt er op Wipfel (kruinen) in het Duits maar één woord, n.l. Gipfel, maar dat is al door Goethe geclaimd in een van zijn beroemdste en onvertaalbaarste gedichten, hieronder, zonder kleurtjes:

Ueber allen Gipfeln
Ist Ruh',
In allen Wipfeln
Spürest Du
Kaum einen Hauch;
Die Vögelein schweigen im Walde.
Warte nur! Balde
Ruhest du auch.

Als mijn vrouw al in bed ligt, lees ik het gedicht (dat van oma Ascher dus) nog een keer door, sla de beelden op en mopper nog wat op de dichteres, die aan het ‘netjes geplante’ helmgras ook zonder kanonnengebulder al had kunnen zien dat ze in een mensenwereld leefde. Voor de zekerheid controleer ik nog even of er echt geen bruikbaar synoniem voor die schuimende pluimen te vinden is (Panasche? Federbüsche? Onmogelijk!). Dit alles kost hooguit een half uur (‘Wat deed je al die tijd?’ vraagt mijn vrouw die al bijna is ingeslapen). Vervolgens knip ik het licht uit en geef woorden en beelden de vrije loop. Het perfecte slaapmiddel! De volgende ochtend blijken de meeste problemen als kanongebulder voor de zon verdwenen, ik  stap uit bed en noteer de gedroomde versie. Daarna vergeet ik het gedicht onmiddellijk en verander bij herlezing nog hier en daar een woordje. Het is aan te bevelen die laatste stap om de zoveel dagen te herhalen.
In geval van nood heb ik nog twee andere methoden, waarmee respectievelijk een badkuip en een pianostemmer gemoeid zijn, maar daarover een ander keer. O ja, nu nog de vertaling:

      Am stillen Strand

   Nur dies wollt' ich sehen:
   das strahlende Blau
   und die Dünenflucht hinter dem Strande.
   Nur dies wollt' ich sehen:
   den glitzernden Sand
   und die Wolken, verschwimmend am Rande.
   Nur dies wollt' ich sehen:
   das bleigraue Meer,
   mit den Wellen, die schäumen und schaukeln,
   und den Sandhalm, artig
   in Büscheln gepflanzt,
   mit den Rispen, ihr Zittern und Gaukeln.
   Nur dies wollt' ich sehen,
   all das Schöne ringsum,
   doch es sind mir auch Ohren gegeben,
   so musst' ich, inmitten
   von Sonne und Meer,
   den Kanonendonner erleben!
   Ich lag dort ganz still,
   und sah in die Rund',
   bar jeglichem Wollen und Wünschen,
   dann plötzlich der Schlag – und da
   hab' ich erkannt:
   meine Welt, sie ist eine von Menschen.

reageren

Ja, erg leuk om te lezen. Mijn instructies aan Marlene over de vertaling van het gedicht klinken ineens wel erg streng, maar het zijn dezelfde beperkingen die ik mijzelf ook opleg wanneer ik poëzie vertaal, en als je die vormcondities niet in acht neemt, dan kun je het net zo goed laten, zo vind ik altijd. Dan maar, zoals Vondel met Horatius deed, gewoon in proza vertalen.

Maarten Asscher


Vertaalperikels nr 0

10 december 2020

Hierbij open ik mijn blog dat, naar ik heb besloten, Vertaalperikels zal heten. Of is het nou perikelen? Daar heb je het al, een perikel! Onlangs stond in de krant dat we met de kerst onze voet op het rempedaal moesten houden, hé nou heb ik toch heus mijn hele leven altijd de rempedaal gezegd, wat moet het nou wezen? En de fietsenmaker, die het moet kunnen weten, heeft laatst aan de ‘pendalen’ van mijn fiets gesleuteld. Vroeger stond boven de proefwerkjes van mijn school altijd de opdracht ‘Vertaal in goed Nederlands’. Wat is goed Nederlands? En wat hadden Robbert-Jan Henkes & Erik Bindervoet aan ‘goed Nederlands’ bij een tekst als Finnigans wake, een boek dat geschreven is in een taal die nog maar heel in de verte op Engels lijkt en al helemaal niet op 'goed Engels'. Dat vraag ik u af! Dus niet van dat benauwde, ik geef gewoon gas en verwelkom alle nieuwsgierigen in mijn vertaalatelier. U krijgt een kijkje in de bonte wereld van het vertalen. Onder de potentiële lezers verwelkom ik alvast de (naar schatting) 400 inzenders van de jaarlijkse NRC-vertaalwedstrijd die ik zo vaak de kaas van het brood heb gegeten en die het stokje van me kunnen overnemen, nu meervoudige prijswinnaars het recht om in te zenden onlangs is ontzegd, de anderen moeten immers, werd mij te verstaan gegeven, ‘een eerlijke kans krijgen’, alsof het gedicht niet ook een eerlijke kans op de beste vertaling mag krijgen. Maar hoewel ik uit mijn wedstrijdverleden ruimschoots kan en zal putten, zullen er talloze andere perikelen de revue passeren, aardige auteurs, literaire trollen, proza en poëzie, alles wat er zo door de gehaktmolen van de vertaler gaat, kleine tips om over na te denken, kortom stof genoeg, ik weet gewoon niet waar ik mee zal beginnen. Laat ik eerst maar eens een blik werpen op de binnengekomen post van de afgelopen maand, waaronder ik tot mijn verrassing de oma van de schrijver Maarten Asscher aantref plus een noodkreet van zijn Duitse vertaler: Help, poëzie!

Op naar het volgende blog!

reageren