FAUST
Habe nun, ach! Philosophie,
Juristerei und Medizin,
Und leider auch Theologie
Durchaus studiert, mit heißem Bemühn.
Da steh’ ich nun, ich armer Tor!
Und bin so klug als wie zuvor;
Heisse Magister, heiße Doktor gar,
Und ziehe schon an die zehen Jahr,
Herauf, herab und quer und krumm,
Meine Schüler an der Nase herum –
Und sehe, dass wir nichts wissen können!
Das will mir schier das Herz verbrennen.
Zwar bin ich gescheiter als alle die Laffen,
Doktoren, Magister, Schreiber und Pfaffen;
Mich plagen keine Skrupel noch Zweifel,
Fürchte mich weder vor Hölle noch Teufel –
Dafür ist mir auch alle Freud’ entrissen,
Bilde mir nicht ein was rechts zu wissen,
Bilde mir nicht ein ich könnte was lehren
Die Menschen zu bessern und zu bekehren.
.........
FAUST
Nu heb ik, ach, filosofie,
rechten en medicijnen en, o spijt,
daarnaast ook nog theologie
lang gestudeerd met noeste vlijt.
Hier sta ik nou, ik arme dwaas!
Niets wijzer dan ik was, helaas.
Ik ben magister, doctor bovendien,
En houd nu al zo’n jaar of tien
bij hoog en laag, van vroeg tot laat
al mijn studenten aan de praat –
Beseffend niets te kunnen weten!
Dat heeft zich in mijn hart gevreten.
Wel ben ik wijzer dan al die papen,
doctoren, magisters en dat soort knapen,
‘k word niet gekweld door vrome twijfel,
ben ook niet bang voor hel of duivel –
Maar toch, mijn vreugde is gevlogen:
Geen kennis waar ik op kan bogen,
Geen mens die ik iets heb te leren
Of tot iets hogers kan bekeren.
.............

Meine Mutter, die Hur,
die mich umgebracht hat!
Mein Vater, der Schelm,
der mich gessen hat!
Mein Schwesterlein klein
hub auf die Bein<
an einem kühlen Ort,
da ward ich ein schönes Waldvögelein,
fliege fort! Fliege fort!
.............

Mijn moeder, de hoer,
die mij heeft geslacht!
Mijn vader, de schelm,
die mij at vannacht!
Mijn zusje dat droef
de botjes begroef
onder ’t koele mos;
toen werd ik een vogeltje in het bos,
vlieg weg, vlieg weg!
...........


Willem, die Madocke schreef,
waar hij lang voor wakker bleef,
hem zat dwars dat er op heden
van Reynaerts wederwaardigheden
in onze taal geen boek bestond
(Aernout kreeg het werk niet rond)
zodat hij in Franse boeken
Reynaerts vita uit ging zoeken
voor een werk in onze taal.
God helpe hem bij zijn verhaal.
Graag verhef ik hier mijn stem,
maar wel vraag ik eerst met klem
aan de lomperds, botteriken
die steeds klaarstaan om te pikken
wanneer ze mijn verzen horen,
om de pret niet te verstoren!
.............
Willem, die Madocke maecte,
Daer hi dicken omme waecte,
Hem vernoyde so haerde
Dat die avonture van Reynaerde
 In Dietsche onghemaket bleven
Die Arnout niet hevet vulscreven –
Dat hi die vijte dede soucken
Ende hise na den Walschen boucken
In Dietsche dus hevet begonnen.
God moete ons ziere hulpen jonnen.
Nu keert hem daer toe mijn zin
Dat ic bidde in dit beghin
Beede den dorpren enten doren,
Ofte si commen daer si horen
Dese rijme ende dese woort,
Die hem onnutte sijn ghehoort,
.............


Scholastiek

Dit is het oudste gesprek op de aarde.
De retorica van het water
ontploft op het dogma van steen.

Maar bij het onzichtbare einde
weet de dichter alleen hoe het afloopt.
Hij doopt zijn pen in de rotsen
en schrijft op een tafel
van schuim.
.............

Scholastik

Dies ist das älteste Gespräch auf Erden.
Die Rhetorik des Wassers
zerspellt auf dem Dogma aus Stein.

Doch bei dem unsichtbaren Ende
weiß nur der Dichter, wie’s ausgeht.
Er tunkt seine Feder in Fels
und schreibt auf die Tafel
aus Gischt.
.............

Station hembrug

Soms ziet men helder wat al donker is
en zit men haast weer heelhuids in zijn vlees, er is
geen boom gerooid, geen woord gepleegd, men zet
de klok terug, station hembrug

De trein staat stil, nu al een leven lang, men is
de stad voorbij, voorgoed een kind, het paradijs
ligt binnen handbereik, men spelt vandaag, men wijst
de noodrem met een vinger bij

wat is het jaargetij? Het jaargetij is goed, zomer
en winter wonen in één tuin, voorjaar en najaar
reizen hand in hand, dit is altijd, de trein
staat in een wolk van stoom en wacht

en wacht terwijl men onderwijl de tijd
stilt met een regel wit een boterham, het duurt
toch langer dan men had gedacht, men blijft
binnen de ramen, pelt een ei

woorden als langzaam later gaandeweg
vullen de rookcoupé, men kijkt door glas, men ziet
wikke in kolengruis, men hoort het sein, dit is
voorgoed, het sneeuwt, zo goed als tijd -
.............
bahnhof hembrug

Bisweilen sieht man heller was schon dunkel ist
und steckt fast wieder heil in seiner haut, gerodet
ist kein baum, kein wort gefallen, man stellt
die uhr zurück, bahnhof hembrug

der zug hält an, jetzt schon ein leben lang, man hat
die stadt schon hinter sich, auf immer kind, das paradies
liegt greifbar nah, wir schreiben heute, man liest
notbremse mit dem zeigefinger

wie ist die jahreszeit? die jahreszeit ist gut, sommer
und winter hinter einem zaun, frühjahr und herbst
verreisen hand in hand, dies hört nie auf, der zug
in seiner dampfwolke steht wartend da

steht da, derweil man sich mit einem butterbrot
und einer leerzeile die zeit ausfüllt, es dauert
doch noch länger als gedacht, man lehnt
sich nicht hinaus, man pellt ein ei

wörter wie langsam später nach und nach
füllen den rauchcoupé, man schaut durch glas, man sieht
wicken in kohlengrus, man hört wie's pfeift, dies ist
auf immer, außen schneits, nahezu zeit –
.............


Maan, glijdend over het pakijs, de hemel makreelkleurig, iriserend, als de rug van een school vissen die in de zomer naar de oppervlakte stijgt en een bal in het water vormt. Dat was ooit het noorderlicht, of misschien ook maar een spiegeling van de zon. Krakend op elkaar botsende ijsbergen. De temperatuur tijdens deze januaridagen diep onder het vriespunt, de deining hoog; uitlopers van een storm..............

Het uur U
                                    Voor St. Storm
Het was zomerdag.
De doodstille straat lag
te blakeren in de zon.
Een man kwam de hoek om.
Er speelde in de verte op de stoep
Een groep kinderen, maar die groep
Betekende niet veel,
maakte, integendeel,
dat de straat nog verlatener scheen.
De zon had het rijk alleen.
Zelfs zij, wier tweede natuur
Hen bestemde, hier, op dit uur
te wandelen: de student.
De dame die niemand kent,
De leraar met pensioen,
waren van hun gewone doen
afgeweken vandaag;
men miste, miste hen vaag.
Sterker: de werkman die
nog tot een uur of drie
voor bomen in ’t middenpad
de kuilen gegraven had,
had zijn schop laten staan
en was elders heengegaan.
Maar vreemder, ja inderdaad
Veel vreemder dan dat de straat
leeg was, was het feit
der volstrekte geluidloosheid,
en dat de stap van de man
die zojuist de hoek om kwam
de stilte liet als zij was,
ja, dat zijn gestrekte pas
naarmate hij verder liep
steeds dieper stilte schiep.
Geen dief overtrof, geen spion,
hetgeen hij moeiteloos kon;
en het gevederd leder waarop
de god Hermes van zijn bergtop
neer te dalen placht
doorkruiste het ruim niet zo zacht
als hij op straat kon gaan,
gewoon lopend. Met schoenen aan.

[...]

En bij de deur, op het dak,
ja zelfs op zijn dooie gemak
in ’t open raamkozijn,
zong een klein vogeltje zijn
om kruimels popelend lied.
Alleen in de bomen niet.
Neen, niet in de bomen, want
die waren nog niet geplant.

Hoe mooi anders, ach hoe mooi,
zijn bloesems en bladertooi. –
Hoe mooi? De hemel weet hoe.
Maar dat is tot daaraantoe.

Die Stunde X
                                    Für St. Storm
Es war Sommertag.
in der sengenden Sonne lag
die Strasse. Sodann
erschien an der Ecke ein Mann.
Auf dem Bürgersteig sah man noch
ein paar spielende Kinder. Jedoch
die bedeuteten nicht viel;
vielmehr erschien durch ihr Spiel
die Verlassenheit doppelt so groß.
Die Sonne schien gnadenlos.
Sogar wer aus innerem Grund
sonst immer um diese Stund
hier spazierenging: der Student,
die Dame, die niemand kennt,
der Lehrer im Ruhestand,
sie hatten sich allesamt
gescheut, und irgendwie,
ja, irgendwie fehlten sie.
Auf dem Mittelstreifen stand
verlassen ein Spaten; im Sand
reihte sich Loch an Loch,
nur die Bäume, die fehlten noch,
denn schon seit drei Uhr etwa
war der Arbeiter nicht mehr da.
Ja, die Strasse war leer, das war klar,
aber was am erstaunlichsten war:
Es herrschte weit und breit
nichts als Lautlosigkeit,
wobei auch der Mann, der vorhin
gerade an der Ecke erschien,
mit dem sicheren, schleunigen Schritt
keine Schneise in die Stille schnitt,
ja es war als beschwöre sein Lauf
immer tiefere Stille herauf.
So mühelos leise wie er
käm kein Dieb, kein Spion daher;
und wenn Hermes auf seinem Flug
vom Olymp an den Füssen trug
sein gefiedertes Leder, war doch
dieser Mann hier leiser noch,
ganz normal und ordentlich
beschuht, wie du und ich.

[...]

Und vom Dach herab sang immerzu,
ja, in aller Seelenruh
auf dem Fensterbrett sogar,
ein Vögelchen, klein wie es war,
sein Lied, auf Krümel erpicht.
Nur in den Bäumen nicht.
Nein, nicht in den Bäumen bis jetzt.
Die hatte man noch nicht gesetzt.

Ach, wie voller Herrlichkeit
sind Blüten und Blätterkleid -
Wie herrlich? Kaum von dieser Welt.
Doch das sei dahingestellt.


L’Autre jour dans les latrines
Cherchant und gand à tâton,
La petite Catherine
Mit la main sur un étron.
Cette aventure vous prouve
Qu’il arrive en certain cas
Que le plus souvent on trouve
Ce que l’on ne cherche pas.

In de onverlichte latrine
Zocht gisteren op de tast
Haar handschoen kleine Tine
En hield een bolus vast.
Dit avontuur bewijst u
Dat op uw levenstocht
U meestal dat zult vinden.
Waar u het minst naar zocht.

Ce fu au tans qu'arbre florissent,
fuelles, boschaige, pré verdissent,
et cil oisel an lor latin
dolcemant chantent au matin
et tote riens de joie anflame,
que li filz a la veve dame
de la Gaste Forest soutainne
se leva, et ne li fu painne
que il sa sele ne meïst
sor son chaceor et preïst
.iii. javeloz, et tot ensi
fors del manoir sa mere issi.
Et pansa que veoir iroit
hercheors que sa mere avoit,
qui ses aveinnes li herchoient;
bués .xii. et sis hierches avoient.
Ensi an la forest s'an antre,
et maintenant li cuers del vantre
por le dolz tans li resjoï
et por le chant que il oï
des oisiax qui joie feisoient;
totes ces choses li pleisoient.
Por la dolçor del tans serain
osta au chaceor son frain,
si le leissa aler peissant
par l'erbe fresche verdeant.
Et cil qui bien lancier savoit
des javeloz que il avoit
aloit anviron lui lancent,
une ore arriere et altre avant,
une ore an bas et altre an haut,
tant qu'il oï parmi le gaut
venir .v. chevaliers armez,
de totes armes acesmez.
Et mout grant noise demenoient
les armes a ces qui venoient,
car sovant hurtoient as armes
li rain des chasnes et des charmes.
Et tuit li hauberc fremissoient,
les lances as escuz hurtoient,
sonoit li fuz, sonoit li fers
et des escuz et des haubers.
Li vaslez ot et ne voit pas
ces qui vienent plus que le pas;
si s'an mervoille et dit: « Par m'ame,
voir me dist ma mere, ma dame,
qui me dist que deable sont
plus esfreé que rien del mont;
et si dist, por moi anseignier,
que por aus se doit an seignier.
Mes cest anseing desdaignerai,
que ja voir ne m'an seignerai,
einz ferrai si tot le plus fort
d'un des javeloz que je port,
que ja n'aprocheront de moi
nus des altres, si con je croi. »
Ensins a lui meïsmes dist
li vaslez einz qu'il les veïst.
Et quant il les vit en apert,
que del bois furent descovert,
et vit les haubers fremianz
et les hiaumes clers et luisanz,
et vit le vert et le vermoil
reluire contre le soloil,
et l'or et l'azur et l'argent,
se li fu mout et bel et gent.
Lors dist: « Ha ! sire Dex, merci !
Ce sont ange que je voi ci.
Hé ! voir, or ai ge mout pechié,
or ai ge mout mal esploitié,
qui dis que c'estoient deable.
Ne me dist pas ma mere fable,
qui me dist que li ange estoient
les plus beles choses qui soient,
fors Deu, qui est plus biax que tuit.
Ci voi ge Damedeu, ce cuit,
car un si bel an i esgart
que li autre, se Dex me gart,
n'ont mie de biauté le disme.
Et si dist ma mere meïsme
qu'an doit Deu croire et aorer
et soploier et enorer,
et je aorerai cestui
et toz les altres avoec lui.»

...........
Het was de tijd dat beemd en bos
in bloei staan, in fris groene dos,
en vogels in het ochtendgloren
hun zoete Credo laten horen
en blijdschap de natuur doorgloeit.
De knaap, als halfwees opgegroeid
in ‘t Woeste Woud, in eenzaamheid,
stond op en had in korte tijd
zijn paard het zadel opgelegd
alsof de jacht was aangezegd.
Met zijn drie werpsperen verlaat
hij daarop moeders havezaat.
Daar is hij al naar ‘t land op weg
waar moeders knechten met de eg
druk doende zijn, zes eggen sterk,
twaalf ossen doen het zware werk.
Hij is het bospad ingeslagen
en met een innig welbehagen
hoort hij in ‘t zwoele lenteweer
het vrolijke gekwinkeleer
van vogeltjes, een en al vreugd,
geen wonder dat hij zich verheugt.
Zo heerlijk was die ochtendrit
dat hij zijn paard van toom en bit
bevrijdt en het vervolgens vrij
liet grazen op een groen stuk wei.
Hijzelf vermaakt zich met zijn speren
die hij deskundig kan hanteren,
hij werpt ze links en rechts in ‘t rond,
hoog in de lucht of naar de grond,
zowel naar achter als naar voren,
dan spitst hij plotseling zijn oren
als er opeens tussen de bomen
vijf ridders, zwaar bewapend, komen.
De nieuwkomers, gehuld in staal,
veroorzaakten een hels kabaal:
haagbeuk en eikentakken sloegen
tegen de wapens die ze droegen:
luid kletteren hun pantserringen,
hun lansen, schilden, stalen klingen,
ijzer op ijzer, één geschal
van helm en schild en wat niet al.
De knaap ziet niet, maar hoort al wel
hoe zij daar naderen, luid en snel.
Hij staat verbaasd en zegt: ‘Wablief,
zei mij niet ooit moedertjelief
dat als er iets was om te vrezen
dat het dan duivels moeten wezen,
en als er eentje voor je staat
je dan het best een kruisje slaat?
Dat doe ik niet, geen denken aan
om voor dat stel een kruis te slaan!
Liever met één van deze speren
de sterkste van hen zo bezeren
dat geen van het in zijn dromen
zal wagen in mijn buurt te komen.’
Dat zei de knaap in eigen woorden
zolang hij ze niet zag maar hoorde.
Maar nu hij alle vijf daar ziet
en ‘t woud hen geen beschutting biedt
en hij hun helm ziet flikkeren,
hun maliën ziet blikkeren,
de kleuren ziet van hun blazoen
in glanzend rood en blauw en groen
en zilvergouden schittering,
verstijft hij van bewondering.
Hij roept: ‘Jee, God, vergeeft u mij!
Ik zie vijf engelen op rij!
Ik heb gezondigd, en wel zwaar,
het was dus helemaal niet waar
dat ik hier duivels voor mij had.
En moeder zei niet zomaar wat  
toen ze mij over engelen zei
dat er niet mooiers was dan zij,
behalve God, daar ging niets boven.
Hier zie ik hem met eigen ogen,
ik raak niet op hem uitgekeken,
de rest heeft daarbij vergeleken
nog niet een tiende van zijn pracht.
Heeft moeder mij niet bijgebracht
dat je wanneer je God ontmoet
geloven, bidden, plat gaan moet
om hem aldus te adoreren?
Nou, dan aanbid ik hem dus hier
en tegelijk de andere vier.’ .............

Vierundzwanzigstes Kapitel

Wie dem Sekretär Hieronimo kuriose Sachen
vorkamen und er weggejaget wurde.

Geneigter Leser! Unsre alten Vorfahren
Waren gewiss keine dummen Narren,
Sie hatten vielmehr oftermal
Einen klugen und gesunden Einfall.

Und sie haben in ihrem Leben
Den Nachkommen viel gute Lehren gegeben,
Mancher stets wahr befundener Spruch
Zeigt noch ihre Weisheit genug.

Es ist itzo fast in allen Landen
Unter anderem ein altes Sprichwort vorhanden,
Dessen Gewissheit und Wahrheit man
Noch täglich vor Augen sehen kann.

Nämlich: Wenn einer soll können tragen
Eine last von lauter guten Tagen
So muss er mit sehr starkem Gebein
Von der Natur versehen sein.
.
.........
Vierentwintigste hoofdstuk

Hoe Hieronimus als secretaris voor curieuze zaken
kwam te staan, en hoe hij werd weggejaagd.


Geachte lezer, onze voorouders waren
Beslist geen stompzinnige Kampenaren,
Nee, ze hadden over het algemeen
Juist vele verstandige ideeën.

Ze hebben dan ook tijdens hun leven
Hun nageslacht veel wijze lessen gegeven,
Veel van hun spreuken zijn nu nóg waar,
Hun wijsheid blijkt daaruit zonneklaar.

Zo is er bijvoorbeeld in alle landen
O.a. een spreekwoord voorhanden
Dat oud is en toch nooit vergrijst
En dagelijks zijn juistheid bewijst.

Het luidt aldus: Wie de last moet dragen
Van louter en alleen gelukkige dagen,
Moet door de natuur natuurlijk wel
Voorzien zijn van een sterk beendergestel.

.............